Als ik kijk naar de kaart van Ferraris (1777), dan zie je vooral een uitgestrekt bosgebied in Oplinter, Stok, Sint-Margriete-Houtem en Bunsbeek en maar heel weinig bewoning. Maar één boerderij is goed herkenbaar, of tenminste toch haar locatie. Het is de Gasthuyswinning. Al jaren intrigeert deze boerderij me en niet alleen omdat je er je kruikje met verse melk kon laten vullen en hun gezonde koeien en stieren er hoger staan te grazen dan de straat. Hun weiden bevinden zich op een plateau.

De Gasthuyswinning is niet van het type van prachtige vierkantshoeven met toegangspoort en torentje en ingebouwde duiventil.  Een duiventil die aan de hand van het aantal uitvlieggaten de status verried van de eigenaars. Dat type (vaak  gedeeltelijk opgetrokken in Gobertange) treffen we nog veel in Hakendover en Hoegaarden aan. Ook niet het type van hoeve dat paalt aan een marktplek, met een hoge blinde en verder vrij onopvallende voorkant met grote inrijpoort maar daarachter een verrassend groot binnenplein en een statig woonhuis. Dat type van hoeves treffen we vooral aan in Oplinter. Het is daar zelfs streekeigen.

Neen, deze hoeve ligt gans alleen en temidden van landerijen. De frontgevel van deze hoeve is erg hoog en de oudere stallingen staan er rondom. Er is zelfs een oprijlaan met bomen, een vijver en een eeuwenoude eik die samen stilletjes verraden dat het hier om een historisch gebouw gaat. De keuken staat nog in het oudste bewaarde stuk. De schuur aan de overkant van het plein met kasseien verloor haar dak toen het erg woei. Dat was tijdens de oorlog. Na de oorlog werd de hoeve verkocht want voor de Openbare Onderstand liepen de kosten te hoog op. Om die reden zelfs alle  hoektorentjes  boven de stallen (die er dus wel waren) al verdwenen. Wel spijtig.

We vroegen aan de eigenaars/bewoners of ze meer wisten over de geschiedenis van de hoeve. Hoera, ja dat wisten ze. Die geschiedenis had hen zelf ook steeds geïntrigeerd. Eerst had de familietak Janssens de boerderij gepacht van de Openbare Onderstand en pas na de oorlog werden ze zelf ook eigenaar. Dit vertelden vader Hugo en zoon Geert Janssens en (moeder) Lea: De hoeve zou al hebben bestaan, weliswaar in een heel andere hoedanigheid, tijdens de veertiende eeuw! Een historicus uit Brussel van de tak Ausloo (later werd het Ausloos) had dit ontdekt in bepaalde geschriften toen hij de stamboom van zijn eigen familietak naploos.  De boeren die hier woonden bewerkten het land voor het Maagdendalklooster in Oplinter. Vermoedelijk was de hoeve in eigendom van dit  zeer rijke klooster of Godshuis.

De bossen waren ook van het klooster. Dus mogelijk legden de boeren van De Gasthuiswinning zich toen mogelijk vooral toe op houtbouw en bosontginning voor het klooster. Tijdens de Franse overheersing werden vele goederen van kloosters en kastelen geconfisqueerd en werd ook deze hoeve en aanhorigheden eigendom van de Franse staat. Kasteeleigenaars en religieuzen namen veelal de wijk of ze werden verjaagd uit hun eigendommen door de bezetters. Dit was zo tot Napoleon werd overwonnen. Vanaf hun aftocht stonden de Fransen de winning als zwart goed af aan Het Gasthuis in Tienen, als een soort van morele herstelbetaling. Vanaf dan kreeg het de naam Gasthuiswinning. Het Gasthuis verkocht De Winning na de tweede W.O., en in feite was dat nadat een storm het dak van de schuur meenam.

Het is deze boerenfamilie die nu al drie generaties bekwaam de boerderij uitbaat en het naar akkerbouw omgezette land, bewerkt. Het bos (= het grote Gasthuisbos waarin ook een loopgracht liep en waarin een bloedige slag werd geleverd bij Schaffelenberg, zie bord aan de Ruekenbosweg in Bunsbeek) ging ook naar de Openbare onderstand van Tienen.  Tot op heden is dit nog de situatie, zo meende ik te vernemen. De openbare onderstand heet nu het OCMW en het Gasthuis kennen we vandaag nog als een kliniek.

Foto: Op de binnenkoer van de Winning vonden we deze inscriptie ivm de overname van de boerderij door het Gasthuys in Tienen.

Waarom was het Godshuis van Maagdendal in Oplinter zo rijk?

Het waren vooral de dochters van rijke boeren en notabelen die het noviciaat inruilden voor definitief kloosterzusterschap. Arme vrome meisjes kregen vaak niet die gelegenheid en bleven er meestal werken als meid. Waarom? Omdat de dochters van notabelen bij hun definitieve intrede of na door God te zijn geroepen, ook aanzienlijke bruidschatten meebrachten. Riep God dan geen armen? Bovendien moesten boeren die grond van hen pachtten ook tienden betalen of een tiende van hun opbrengst afstaan. Die werd dan opgeslagen in de imposante tiendenschuur. We hebben het hier over enkele eeuwen geleden. Vandaag zal men iedereen verwelkomen. Naast de bruidschatten waren er ook nog de vele giften voor het doen van goede werken ten voordele van de gemeenschap.

Foto: Het immense retabel van Oplinter.

Een reuzengroot retabel is tegelijk ook een kerkelijk machts- en statussymbool want bij zo’n kunstopdracht waarbij verschillende ambachtslieden en bekende kunstenaars werden betrokken, kostte ook toen veel geld. We vermoeden dat dit retabel uit het Maagdendalklooster komt, maar dat deze bij de opheffing tijdens de Franse bezetting ergens in bewaring werd gegeven. Het retabel is alleszins quasi intact. Was het retabel van de kerk zelf, dan zou het daar wellicht zijn blijven staan zoals het kleinere exemplaar in de kerk van Sint-Margriete-Houtem. Of weet iemand daar meer over? Was het toch voorbestemd voor de kerk?

Nu vind je dit prachtexemplaar in het Museum voor Kunst en Geschiedenis in het Jubelpark te Brussel. Het is kamerbreed en kamerhoog.

Waarom dit vermoeden dat het om hun retabel gaat? 1)Omdat het extreem groot is en de orde was erg rijk. 2)In het schepenregister van de eerste schrijfkamer in Leuven, vond men ook een ondertekende overeenkomst uit 1525 met de schilder (die de zijpanelen moest schilderen) en stoffeerder (die het houtsnijwerk aankleedt met bladgoud en het hout kleurt). De overeenkomst werd ondertekend door Henric Vanden Berghe, priester en rentmeester van het ‘Godshuys by Maegdendal by Oplinther’.

 

Auteur en foto’s: Anne-Marijn Somers