Als je de geschiedenis van de stad Tienen hieronder leest zoals deze beschreven werd in de goed bewaarde archiefstukken van de Broeders Alexianen, dan zie je hoe sterk de stad heeft gebloeid, maar ook hoe ze nog veel meer heeft geleden. Brandstichtingen, verwoestingen gevolgd door pest, cholera, lepra… Geen wonder dat de verzorgende religieuze orden hier zo talrijk aanwezig waren en dat de zorgsector hier zo diep is geworteld. Zo zie je maar, alles wat ‘is’ heeft in feite zijn wortels in het verleden. Ook vandaag kan je zien dat de drie klinieken een groot deel van het stadsareaal in beslag nemen en daardoor voor een groot stuk ook het stadsbeeld en het bijhorende leefklimaat bepalen, ook al werd de religieuze peiler hiervan grotendeels weggesneden. Ziekte wordt vandaag gelukkig niet meer gekoppeld aan zonde en zielenheil, dus ook niet meer aan boetedoening en bestraffing.

De classicistische priorij van de Beggarden opgetrokken op de plaats van het circa 1276 gebouwde beggardenklooster, is het enige wat nog overblijft van het vroegere erg uitgestrekte domein. Je vindt het gebouw vandaag nog steeds in de Beggaardenstraat. Ook de ommuring is er nog. Het klooster is in privé-handen. De laatste restauratie gebeurde met veel respect voor het verleden. Men had bijvoorbeeld ook oog voor de muurschilderingen etc. Men vond er ook kleurbaden. Helaas weet ik niet meer of ze dienden voor het kleuren van leer of het kleuren van katoen/wol. Beggarden leefden zoals begijnen. Ze waren vroom maar legden geen kloostergeloften af. Ze vestigden zich wel in de buurt van kloosters of leprozenhuizen (O.L.V. Ten Steen was er één) en godshuizen waar men armen opving. Ze verzorgden ook pestlijders. Zij verzorgden dus de zwakkeren en organiseerden zich onderling. Begijnen en beggarden genoten meer vrijheid dan gewone kloosterlingen. De muur rond hun leefgemeenschap zorgde tegelijk ook voor bescherming.

De Broeders Alexianen  namen waarschijnlijk hun intrek in de stad Tienen tijdens de 13de of 14de eeuw. Ze zouden ten dele ontstaan zijn uit de Beggarden. De vroegste verwijzing naar de aanwezigheid van Cellebroeders in Tienen vinden we in 1250-1300. Het Tienen van de 14de eeuw was één van de rijkste en meest bevolkte steden van Brabant. De laken- en wolnijverheid was er in volle bloei. De stad barstte letterlijk uit haar voegen, breidde zich ook uit tot buiten de vesten. Tienen telde dan 20.000 inwoners en daardoor was het een belangrijk handelspunt. Maar eigenlijk was het dit al wel tijdens de Romeinse overheersing. Zelfs deze overheersers lieten hier vele sporen na.

Er bestaat een geschrift uit 1340 waarin sprake is van een huis van de Lollarden. Het oudst bewaarde document waarin ‘de Tiense Cellebroeders’ rechtstreeks worden vernoemd, dateert van 1441. Zij bekwamen vanwege het kapittel en de stadsmagistraat, de toelating om aalmoezen in te zamelen. Zij betrokken toen een klein klooster in de Kapucijnenstraat. De 15de eeuw was terug een tijd van beroering en verval. De pest en een aantal overstromingen eisten hun tol aan mensenlevens. De laken- en wolnijverheid maakte een ernstige crisis door en het aantal inwoners slonk tot 11.000. Vele ambachtslieden verlieten Tienen en het gemeentebestuur moest schulden maken. De glorietijd van de oude en mooie stad was voorbij.

De 16de eeuw zou niet veel beterschap brengen. Onder de eerste Habsburgers werd Tienen in 1507 geplunderd door de troepen van Luik en Gelderen, als bondgenoten van Frankrijk. Onder het bewind van Keizer Karel kende de stad een korte rustperiode, maar naar het einde van de eeuw toe, tijdens de godsdienstoorlogen, plunderden de legers van Willem van Oranje en de Hertog van Anjou de stad meermaals. Toen daarop weer een pestepidemie uitbrak, slonk het bevolkingsaantal op een gegeven moment zelfs tot 2000!

Ook de broeders werden niet gespaard. Hun klooster werd platgebrand. Zonder onderdak moesten de broeders zich verspreiden. De inwoners van Tienen misten echter hun hulp en steun en drongen bij het stadsbestuur aan op hun terugkeer. Het is in die periode dat ze van de stad de huidige locatie kregen toegewezen (1591). Zij zouden er het “ouden mennekenshuis” verbouwen en uitbreiden. In 1664 werden ze zelf eigenaar. Toen waren de Cellebroeders vooral gekend als ‘begravers’ van pestslachtoffers en andere armoedeziektes die de streek bleven teisteren. In 1662 rees zo een geschil met de Grauwzusters over dat begrafenisrecht. De broeders beschuldigden de zusters die “de eerbaarheid zouden geweld aandoen door de lichamen van dode mannen te lijken”. Ze verzorgden ook geesteszieken alias ‘geesteskranken’. In hun dagboeken vinden we de verwijzing naar het ‘verzorgen aan huis’. Ambulante zorg is nu weer aan de orde. .

De 17de eeuw begon met een korte periode van relatieve rust onder het bewind van Albrecht en Isabella (1598-1633), maar daarna was het weerom ellende troef. In 1635 werd Tienen (toen nog onder Spaanse voogdij) door de Franse legers tot een puinhoop herleid. Dewalhens schrijft dat 6 kloosters en 7 kerken werden verwoest en dat van de 600 woningen van de stad er nog slechts 30 overbleven. Daar moeten de rectorswoning en de Ark van Noah (zie later *) bij zijn geweest want deze staan er nog steeds. Als hun stenen konden vertellen….

En daarmee werd het onheil in de stad niet gestopt, want ook plunderingen door Hollandse troepen, overstromingen, wederom de pest en zelfs een aardbeving teisterden de stad. De Alexianen hadden hun handen meer dan vol, maar werden ook zelf getroffen. Het klooster aan de Veldbornestraat werd mogelijk volledig verwoest. De kloostergemeenschap bleef gedurende de hele geschiedenis van de Alexianen in Tienen relatief klein. In 1684 slechts 3 kloosterlingen, in 1775 waren dat er 6 met nog 1 novice.

In de 18de eeuw bloeide de economie in Tienen weer op en nam de handel toe, dankzij de relatieve rust onder Oostenrijkse bewind. Tingieters en bierbrouwers verwierven faam tot in het buitenland. Ook werd in die tijd het klooster grondig vernieuwd en werd de  kapel opgetrokken.

De Franse Revolutie zou het einde betekenen voor vele kloostergemeenschappen. Ook de Tiense Alexianen werden geplunderd en daarna werd hun klooster opgevorderd als gevangenis. De Broeders verzetten zich tegen hun taak van gevangenisbewakers maar de Revolutionairen verplichtten hen. Op 17 november 1796 ontvingen zij een bevelschrift tot sluiting van het klooster. De Alexianen weigerden echter het bevel te volgen en rechtvaardigden zich met de vraag: wie zal er zich dan bekommeren om de geesteszieken? Moeten ze die dan hier loslaten? Het mocht niet baten. Nog even mochten ze blijven om de wezen van de stad op te vangen maar dan werden ze ook effectief uit hun klooster verjaagd. Niet voor lang. In 1801 keerden ze terug naar Tienen om er hun oude werk weer op te nemen. Samen met de Grauwzusters (die ook altijd al aan ambulante zorg deden) waren zij de enige kloosterorde die de Franse omwenteling overleefden. Beide congregaties kunnen dan ook terugblikken op een eeuwenlange aanwezigheid in Tienen.

Naast als psychiatrische instelling bleef het gebouw aan de Veldbornstraat ook dienst doen als wezenhuis. Dat was een ongezonde situatie die regelmatig tot problemen leidde. In 1838 verhuisden de wezen dan naar een nieuw wezenhuis aan de Capucijnenplaats. De broeders zouden het jongensweeshuis ook daar nog blijven besturen. Een gedeelte daarvan is nog bewaard gebleven.

De broeders zouden zich vanaf dan voornamelijk toeleggen op de verzorging van geesteszieken. De instelling werd steeds verder uitgebreid. Van 7 geesteszieken in 1820 groeide men tot 51 zieken in 1871. In het begin van de 20ste eeuw werden een honderdtal patiënten verpleegd. In 1930 legde een enorme brand het klooster in as (zie oude foto’s). Bij de heropbouw in 1932, volgens de plannen van Geens en Piron, werd de oorspronkelijke stijl gerespecteerd. De kapel bleef gespaard en is dus nog origineel 17de eeuws. Een wet over de krankenzinnigengestichten verscheen voor het eerst in 1850, dus kort na de Belgische onafhankelijkheid. Vóór die tijd werden de krankzinnigen  verpleegd zonder wettelijk kader. Er was dus willekeur maar de broeders vonden het belangrijk dat deze mensen zich nuttig bleven voelen en terug werden ‘geaard’. Ze werden in onze streek dus ingeschakeld in de land- en tuinbouw. Dus ook bij bietenboeren in de streek. In Glabbeek waren er tot voor kort nog enkele boerderijen die patiënten lieten werken en ze tegelijk ook huisvestten tegen vergoeding.

Door het KB van 28 juli 1853 werd de instelling van de Alexianen te Tienen door de staat erkend. Tienen verkreeg de toestemming om 30 geesteszieken op te nemen, 20 betalenden en 10 armen. Het verblijf van de armen diende bekostigd te worden door de stad waarvan zij afkomstig waren of werd ten laste genomen door de “Armenburelen”. De verblijfsvergoeding voor 1 dag bedroeg 1 frank. Vandaag kennen we deze kliniek vooral als een grote ontwenningskliniek. Leuk nieuws is dat Beschut Wonen Hestia (ook in de Liefdestraat en van de broeders) haar naamgeving indachtig, terug startte met een volkstuinproject om de oude band met de natuur en de omgeving weer aan te halen. Hestia is immers de (moeder)godin van de natuur.

Volgende week pikken we hier verder op in.

Auteur: Anne-Marijn Somers

(andere bronnen: Wikipedia, inventaris Onroerend Erfgoed, conservator, P. Kempeneers…)