Als je de geschiedenis van de stad Tienen hieronder leest zoals deze beschreven werd in de goed bewaarde archiefstukken van de Broeders Alexianen, dan zie je hoe sterk de stad heeft gebloeid, maar ook hoe ze nog veel meer heeft geleden. Brandstichtingen, verwoestingen gevolgd door pest, cholera, lepra… Geen wonder dat de verzorgende religieuze orden hier zo talrijk aanwezig waren en dat de zorgsector hier zo diep is geworteld. Zo zie je maar, alles wat ‘is’ heeft in feite zijn wortels in het verleden. Ook vandaag kan je zien dat de drie klinieken een groot deel van het stadsareaal in beslag nemen en daardoor voor een groot stuk ook het stadsbeeld en het bijhorende leefklimaat bepalen, ook al werd de religieuze peiler hiervan grotendeels weggesneden. Ziekte wordt vandaag gelukkig niet meer gekoppeld aan zonde en zielenheil, dus ook niet meer aan boetedoening en bestraffing. In het vorige stuk werden al een eerste deel van deze geschiedenis meegegeven, vandaag volgt het tweede stuk.

Ark van Noé

De Ark van Noë in de gelijknamige straat werd gebouwd in 1609. De oudste kern van de woning dateert van eerder. Het zogeheten Meiershuis was  in 1598 in het bezit van hofmeier Lancelot Van der Strepen. Vóór de verbouwing in 1609 bestond het huis waarschijnlijk slechts uit één langsvleugel aan de straatzijde en nog enkele kleinere bijgebouwen. Aan het begin van de 17de eeuw liet Lancelot  de woning grondig verbouwen en voegde nog een dwarsvleugel toe. Later werd het pand opgedeeld in drie afzonderlijke woonentiteiten. Het was het enige huis dat nog recht bleef in dat stadsdeel tijdens de totale stadsverwoesting in 1635*, dus toen wij hier nog tot de Spaanse Nederlanden behoorden. Het was echter het Franse leger dat de stad belegerde maar de Spanjaarden gaven zich hier in Tienen zomaar niet gewonnen. Het moet dus een belangrijke stad zijn geweest. Diest en Landen capituleerden wel meteen. De Fransen wilden onze stad echter als logistieke basis gebruiken, maar toen het buskruit in brand geraakte, brandde nagenoeg de hele stad af en werd de stad voor die functie vanzelf onbruikbaar. De Fransen zorgden overigens zelf voor nog meer brandhaarden omdat ze verkeerdelijk dachten dat het brandstichten een oorlogstactiek was. Later werd de stad ook nog eens geplunderd door Hollandse troepen en ook het erg nabije Alexianenklooster werd ditmaal niet gespaard. De broeders vluchtten nu zelf tijdelijk naar dit huis. Voor even hun toevluchtsoord. Vandaar de mooie naam wellicht.

De ark bevindt zich vandaag nog aan de achterzijde van de ontwenningskliniek. De Broeders Alexianen werden eigenaar van het pand in 1890. Eerdere eigenaars waren o.a. een baron, een hofmeier en een kanunnik. Er waren nog meer eigendomsoverdrachten. Er woonde ooit ook een groenteboer en het goed deed ook dienst als Gods- of armenhuis. Elke keer werd wat toegevoegd of veranderd aan de bouwstructuur. Een complexe compilatie van bouwperiodes, en toch werd het geen vreemd amalgaam van uiteenlopende bouwstijlen. Het gebouw is vandaag als monument beschermd en bevat binnenin een paar historisch belangrijke schouwgarnituren en brede deuren. Verder zie je nog de intacte kamerstructuur, een markante houten wenteltrap, oude kelders… Diezelfde mooie, brede en oude schouwmantels vind je ook in de rectorswoning (zie hierna). Het zijn schouwen waaronder ook werd gekookt en in nagenoeg elke ruimte (zowel boven als onder) vind je er eentje want ze moesten worden warm gestookt in de winter. De ark is vandaag erg bouwvallig, maar er werd een grondige studie en een lijvig restauratiedossier opgemaakt voor de gevels en het interieur. Op dit moment lijken de restauratiewerken te zijn bevroren. Alleen noodzakelijke herstellingen voor de conservatie ervan worden jaarlijks uitgevoerd door Monumenten en Landschappen. De stad zou in de restauratie slechts 10 % in moeten bijdragen. De rest komt toe aan de broeders, de provincie en het Vlaamse Gewest. De restauratie moet natuurlijk wel de historische kwaliteiten van de meer dan vier eeuwen oude woning eer aandoen en worden gerealiseerd volgens de regels van de kunst. Toch spijtig dat er geen schot komt in deze zaak.

In 1539 werd de rectorswoning van Barberendal aan de Slachthuisstraat opgetrokken (zie datumsteen) in gevel. Rondom was er een diepe gracht. Geen overbodige luxe in moeras- en overstromingsgebied en tijdens zulke woelige tijden. Wat je nu ziet is de resterende vleugel van het klooster van Barberendal, ook nog Mariadal genoemd. Dit nonnenklooster werd in 1388 gesticht door de prior van het klooster van Lens-St.-Rémy (Augustijnen). Tijdens de godsdienstoorlogen viel het ten prooi aan algemeen verval en verwaarlozing, wat nog werd versterkt door de gedeeltelijke inrichting tot fort door de hertog van Parma. Op het einde van de 16de eeuw liepen de schulden van de nonnen Barberendal zo hoog op, dat Filips II in 1581 de zusters uitstel van betaling gaf. Ook de gebouwen waren in slechte staat. In het voorjaar van 1606 hadden de gebouwen, gemaakt van leem sterk te lijden onder een hevige storm. De oorlog deed de rest. De zusters vluchtten. Maar het ergste kwam nog. Tijdens de furie van 9 juni 1635 legden de Fransen het klooster in puin. Na de furie bouwden de zusters het klooster met grote moeite weer op, onder meer door de organisatie van bedeltochten in de Spaanse Nederlanden. Ze restaureerden de kerk in 1637, de rectorswoning in 1641 en het klooster in 1671. Dank zij die steun volgde in de 17e eeuw een algemene heropleving. In 1784 werd de priorij van Barberendaal een eerste maal opgeheven. Keizer Jozef II liet toen de kloostergebouwen benutten als hooischuur. Overal ontnam deze Habsburgse ‘verlichte’ keizer de kerk haar politieke en wereldlijke macht en wilde hij haar ondergeschikt maken aan de staat.

Barberendal

Na de Brabantse Omwenteling keerden de nonnen terug, maar niet voor lang. Op 1 september 1796 volgde de definitieve opheffing en op 3 december 1796 verdreven de Fransen de nonnen uit hun klooster.  Daarna besliste de Franse Republiek om de gronden openbaar te verkopen. In 1850 werd er in de gebouwen een aardappelbloemfabriek opgericht, in 1856 werd het uitgebreid met een stokerij van bieten-alcohol. In 1857 werden fabriek en stokerij omgevormd tot een suikerfabriek. Wanneer precies de resterende kloostergebouwen werden gesloopt is niet geweten. De enige bewaarde vleugel is dus de rectorswoning en het bijhorende perceel. Het huidige volume is het resultaat van verschillende bouwfases, waarvan de oudste uit de 16e eeuw en de jongste van circa 1950 dateert. Deze rectorswoning is in tegenstelling tot de Ark van Noë in zeer goede staat, maar dit dan vooral dankzij de nauwgezette restauratiewerken door privé-eigenaar Hans Natens vanaf 1996. Hij verkreeg hiervoor de bescherming van M & L in 1994. Het is werkelijk een stadspareltje geworden, maar wel geen openbaar monument want het is nu zijn gezinswoning.

(andere bronnen: Wikipedia, inventaris Onroerend Erfgoed, conservator, P. Kempeneers…)

 

Anne-Marijn Somers