Mijn verwachtingen waren bescheiden geweest. Rode lopers, limousines, paparazzi en sunglasses at night, had ik al voorzichtig uit mijn projecties voor een filmfestival in Tienen laten vallen. De desolate hal van de Kruisboog bevestigde dat vermoeden. De ontvangst was er echter niet minder hartelijk om. Wij kennen initiatiefnemer Ruben Goffin namelijk nog van onze samenwerking voor de TienenTroef promofilm van afgelopen zomer. Samen met zijn collega Filip Stuerbout staat hij in voor de organisatie van dit evenement.

Initiatiefnemer Ruben Goffin

“Een bescheiden opkomst. Ja, dat klopt. Maar ons filmfestival valt dit jaar erg vroeg in het seizoen. Gisteren is het cultuurseizoen pas officieel geopend. Bij vorige edities zaten we ongeveer twee maanden later en konden we bij andere voorstellingen in het cultuurcentrum komen flyeren. Dat is namelijk vaak de doelgroep die je moet bereiken. Dit jaar moesten we het voornamelijk van publiciteit op sociale media hebben. Maar we klagen niet. Het cultuurcentrum schenkt ons deze zaal omdat ze geloven in ons project. We doen dit nu voor de vierde keer, maar het is de eerste keer dat we met vrije inzendingen hebben gewerkt. Onze vorige voorstellingen organiseerden we met een groep studiegenoten om ons eigen werk een platform te geven. Deze keer hebben we een voorstelling van 7 films gemaakt uit een twintigtal inzendingen. In tegenstelling tot andere festivals koppelen wij er wel geen wedstrijd aan. We willen in de eerste plaats een platform bieden aan jonge cineasten.”

Ik nam plaats achter in het auditorium en wierp snel een blik op het programma: zeven korte fictiefilms, van uiteenlopende stijlen en genres, de kortste 5 en de langste 20 minuten durend.

De voorstelling werd geopend door “Zing voor me”, een moderne parabel waarin een jonge beloftevolle muzikant voor een dilemma komt te staan wanneer hij moet kiezen tussen een belangrijke stap in zijn carrière en de zorg voor zijn zieke vader. Noch in thema, noch in vormgeving erg vernieuwend, maar zeer professioneel gefilmd met een opvallend stuwende muziek als we de catharsis naderen. Het open einde helpt echter niet om de tragiek die verscholen zit in het einde ook effectief gewicht te geven. Mooi. Voldoende.

Volgende in de rij is “A Magician’s Heart”, van aanwezige filmmaker Dwayne Daniels. Wat op het eerste zicht lijkt op een voor de hand liggende lovestory van een matige goochelaar die door zijn geliefde en assistente in de steek wordt gelaten, krijgt halverwege de film een erg leuke twist. De gebroken goochelaar onderbreekt zijn show en spreekt zijn publiek aan, niet enkel in de setting van de film, maar ook iedereen die vanavond in de Kruisboog aanwezig is. “Onder je stoel vind je vier speelkaarten. Raap ze maar op.” En plots maken we allemaal deel uit van de film. Luisterend naar de instructies van de goochelaar verscheuren we onze kaarten en gaan we met de stukjes aan het spelen. Tot mijn verbazing blijf ik op het einde van de scène met twee stukjes in mijn  handen zitten. Twee stukjes die naadloos, blijken te passen en die samen de hartenaas vormen. Het verscheurde hart van onze goochelaar.  Een erg leuke gimmick die deze film naar een meta-niveau tilt en hem zo bijzonder weet te maken.

Filmmaker Dwayne Daniels vertelt me later in de foyer: “Het was mijn afstudeerproject en ik wou eens iets helemaal anders doen. Even buiten de lijntjes gaan. Maar het is wel een omslachtig project. Bij elke voorstelling moeten we de speelkaarten gaan klaarleggen.” Gelukkig wordt de jongeman gesponsord door Carta Mundi die de kaarten aanleveren. Een van zijn vele sponsors kunnen we in de aftiteling zien. Doorheen de avond zal een paar keer opvallen hoe snel jonge cineasten tegen hun financieel plafond stoten. In de aftiteling worden bijgevolg plaatselijke cafeetjes en kringloopwinkels bedankt. Het lijkt het lot dat verbonden is aan de weinigen die zich wagen in deze onvoorspelbare sector. “Door het beperkte budget wordt je vaak gedwongen om creatief te zijn en out of the box te denken”, vertelt Ruben me nog na afloop.

“The Couple in Black”, is een korte stijloefening waar de acteurs als zwarte profielen tegen een witte achtergrond een eenvoudig ‘boy-meets-girl’-verhaal brengen. Een interessant cinematografisch experiment dat flirt met de grens van animatie, maar dat iets te langzaam en oppervlakkig is om je helemaal te grijpen. Ik twijfel of ik in een Balinees schaduwtheater ben beland dan wel in de dagelijkse slotscène  van Tik Tak, waar we telkens werden uitgezwaaid door een jongedame van wie we ooit enkel het profiel te zien kregen. Na vijf minuten houden ook regisseur en scenarist deze oefening voor bekeken.

Een ander wederkerend gevoel is dat deze jonge cineasten allen op zoek zijn naar het precaire evenwicht tussen iets eigen en innovatief te brengen en trouw te blijven aan de waardevolle, maar traditionele thema’s en beeldvorming.

Zo ook in “En Plein Air”. Een impressionistisch stuk waarin we moeten meeleven met een oude schilder die door ziekte zijn kunst niet langer kan beoefenen. Een eeuwenoude en universele fabel over vergankelijkheid en dood. De beelden zijn mooi, maar verrassen niet. Het mooiste moment van deze korte prent, waarin de dochter met veel tederheid het schilderspalet in de hand van haar vader plaatst, penselen in de andere hand, en de verf voor hem uit de tubes duwt, kan helaas niet aanknopen met de kwetsbaarheid in elk van ons. De mooie strandsetting en slow-motion beelden ten spijt.

En als herkenbaarheid begint aan te leunen bij imitatie, moet “Front Window” zeker schuldig pleiten. De titel is een pretentieloze zinspeling op “Rear Window”, van grootmeester Hitchcock, maar kan in niets aanspraak maken op een referentie naar dat werk. Noch in de subtiele spanning van het origineel, noch in de aanwezigheid van een betekenisvolle rol die voor zulk raam zou zijn weggelegd in deze prent. We krijgen het verhaal voorgeschoteld van een sociaal onaangepaste jongen, die te lijden heeft onder verregaande pesterijen op school en op een dag besluit om het heft in handen te nemen en terug te vechten. Tijdloos thema, dat helaas altijd actueel blijft, maar als de jongen zich in de prent voorstelt als “Ben”, moeten we even de hoed aantikken en ‘Ben X’ erkennen als inspiratiebron. Als de brave jongen op het einde vriendschap vindt bij een assertief en vriendelijk meisje, aan de zijde van het ziekenhuisbed van die laatste, word ik echter helemaal uit de film gehaald door de aanwezigheid van een pop in het tweede ziekenhuisbed in de kamer. Een beperkt budget is één zaak, maar er was ongetwijfeld een verpleger bereid gevonden om even twee minuten te figureren.

In cinema kan je experimenteren met dat trage tempo, omdat de kijkers niet weg kunnen. Op televisie loop je snel het risico dat de kijker gaat zappen.

“The Nature of Things” van Jordan De Deken, film zes in de rij van zeven, toont meteen zijn ambities. De eerste regels van de dialoog worden in het Engels ondertiteld. Zo moet dat als je uit de Vlaamse klei wil treden. De film vertelt op een onbehaaglijke manier over het tripje van drie vrienden die zich met hun tentjes afzonderen in de natuur. De volgende tien minuten film verlopen zonder dat er nog een woord gesproken wordt. De cineast speelt met zijn shots en personages om de steeds veranderende verhoudingen in beeld te brengen. Het tempo ligt opzettelijk ongemakkelijk laag. We worden ons als kijker erg bewust van het feit dat het een slecht idee is om met je beste vriend en diens lief op een trip te gaan, zeker als je gevoelens hebt voor die laatste. “In cinema kan je experimenteren met dat trage tempo, omdat de kijkers niet weg kunnen. Ze zitten in bioscoop en worden gedwongen om samen met de personages de pijnlijk situatie uit te zitten. Op televisie loop je snel het risico dat de kijker gaat zappen.”, verduidelijkt Ruben me achteraf. Jordan heeft veel aandacht besteed aan de beeldtaal. De posities die de acteurs in elk shot innemen. Elk personage is gekleed in een andere basiskleur. Rood. Geel. Blauw. Een ultieme tegenstelling. Mooi. Met onderscheiding.

De laatste film uit de selectie is “Goldilocks”. Een science-fiction-short die ons een uitgesproken boodschap lijkt te willen brengen over het conserveren van de natuur of de afrekening van kosmos met haar grootste vijand, de mens. De openingsgeneriek plaatst ons meteen in het genre en introduceert ons ‘Star Wars’-gewijs met een omhoog lopende geschreven inleiding in het verhaal. Ik ben meteen geboeid. Niet zozeer door het verhaal, maar door een nieuwsgierigheid naar hoe een jonge cineast, met klein budget, dit ambitieuze genre zal realiseren. De verwachtingen zijn    hooggespannen. Doorheen de prent wordt wel duidelijk hoe je met de juiste kostuumkeuze, industriële setting en koel witte belichting al een hele stap zet in de futuristische sfeerzetting. Maar van zodra we shots van planeten en ruimtetuigen te zien krijgen, is het duidelijk waar de maker heeft gekozen voor computeranimatie  en waar de knutseldienst aan het werk is gegaan.

“Een bewuste keuze”, zo vertelt filmmaker Samuel Faict me later bij een verkwikkend drankje, “Het is makkelijk om met veel CGI te werken, maar in een kortfilm heb je al die lange special shots niet steeds nodig. Het idee meegeven volstaat.” Samuel is gespecialiseerd in genrefilms in het sci-fi en horrorsegment. “Science fiction biedt de luxe dat je minder snel begrensd wordt in de realiteit van je beeldvorming, om grote thema’s aan te kaarten. Je hebt de vrijheid van een eigen gecreëerd universum, dat je in grote lijnen wetenschappelijk plausibel probeert te maken, maar dat is zeker geen keurslijf. Mijn films zijn geen ‘science-lessons’.”
Het thema van “Goldilocks” blijkt helemaal niet zo ecologisch als ik als toeschouwer had menen te lezen in het verhaal. “Het is een existentieel vraagstuk over wat we na de dood overhouden. Wat overleeft er na ons? In mijn film probeert het hoofdpersonage zijn belofte na te komen die hij aan zijn stervende vrouw maakte. Het is die belofte die haar dood overstijgt.” Ik ben blij om met Samuel zijn eigen film te kunnen analyseren. Het is een waardevolle les voor een leek als ik om op zoek te gaan naar de verschillende lagen in een film. De paradox tussen de perceptie van de toeschouwer en de stem van de verteller. Samuel gaat verder: “Niet alle jonge filmmakers slagen daar in omdat ze met te makkelijke beelden werken om de grote thema’s aan te pakken. Het helpt als je in je eigen leven al wat hebt meegemaakt om de moeilijkere verhalen te vertellen. Je moet wat littekens op je ziel hebben om een geloofwaardig verhaal te kunnen brengen. Blijf bij wat je kent.”

De inkijk in de complexiteit van de productie van deze korte films is absoluut leerrijk geweest. Initiatieven als dit kortfilmfestival van Ruben en zijn makkers bij Frame zijn onbetaalbaar in een sector waar het als jonge wolf moeilijk overleven is. Volgend jaar verdient dit festival onze massale belangstelling.

FRAME:
https://www.framefilms.be/
https://www.facebook.com/framebe/

Auteur: Alain Van Den Broecke

Foto’s: Alain Van Den Broecke