“Augustus 15”, het zou de welluidende titel van een ijzige Jo Nesbø kunnen wezen. Tot op zekere hoogte gaat deze stelling ook op. Een vrouw van middelbare leeftijd verdwijnt spoorloos, na een jaar of dertig doorgebracht te hebben te midden van een kring luisterrijke mystiekelingen waarvan 1/6 van het ledenbestand naar de naam ‘Jacobus’ luisterde, en 1/6 bij “Simon, het eten is gereed!” opkeek. Op het eerste zicht lijkt de vrouw een eerder rustig, oninteressant bestaan geleid te hebben. Zelfs zwangerschappen lijken zich bij haar zonder enige aanwijsbare aanleidingen, en vrij van elke fysieke verandering, te voltrekken. Het leven overkomt haar, of liever, het leven ‘leeft’ haar, en dit lijkt bij haar verdwijning niet anders te zijn. Een verhaallijn die kassa’s spontaan doet openspringen en centiemen doet rollen, zou elke amateur thrillerauteur in ons denken. Ware het niet dat men ons ruim tweeduizend jaar voor was en -we zijn nu eenmaal des menschen- elke kaskraker nu eenmaal ooit op de grenzen van zijn succes botst. De tijd dat we met zijn allen wild-enthousiast dit dolle verhaal op Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart herbeleefden en vierden met kaarsen en dat soort old school vermaak, ligt inmiddels enkele decennia achter ons.

Maar zoals dat voor alle soorten filmklassiekers geldt, zullen er net zoals voor “The Sound of Music” en “Home Alone” ook voor Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart altijd een schare trouwe fans het vuur levend houden. Naar goede traditie neemt het bastion Hemelvaart-adepten in Tienen deze taak zeer letterlijk ter harte. Met minstens honderd zilverharigen namen ze ook dit jaar de uitdaging aan om een kaarsenprocessie te houden doorheen de verkeersaders van het stadscentrum. Leedvermaak is een state of mind eens je de 70 voorbij bent, zo leek het. Ooit eens een automobilist gezien die een legioen wekelijkse marktgangers voor zich ziet slenteren, en dit over de volledige lengte van het traject dat hij dient af te leggen? Ze draaien er hun hernianekken alvast niet voor om, die nobele schildpadden. Concentratie, dat is waar men zich op toeleggen moet. Het vasthouden van een brandende kaars in een frietzak bij westenwind is een sport waar schaken een puntje aan kan zuigen. Een mannetjeszilverrug declareert via een luidspreker de gebeden die we prevelend moeten aanvullen. Ironisch genoeg houdt de hele kaarsen-in-frietzakken-tocht halt aan de frituur in de Avendorenstraat. Twijfel bevangt me: welk van beide vereringen primeert: de Gouden Maagd of het Gouden Maagvulsel?

We bereiken de Onze-Lieve-Vrouw ten Poel kerk, ontdaan van zonden, verlicht. Binnen wacht ons een reeks muzikale intermezzo’s. We zijn opgewarmd, na die 55e ‘Weesgegroet’ en 64e ‘Onze Vader’. Met een ‘Ik weet niet hoe het met jullie zit, maar ik heb dorst’ besloot de deken de zitting, en met deze goedkeuring van de Heer namen alle aanwezigen dankbaar de gelegenheid ten baat om het merendeel hunner primaire lusten te verzadigen met de voorziene spijs en drank achterin de kerk. Iedereen? Nog eenmaal voor ik me beestachtig op de aangeboden verlokkingen zou storten, draaide ik me om richting altaar.

Voor een volledige seconde stond ik oog in oog met de gevierde van vanavond. Een ondankbare rol, doorgaans gespeeld door de meest deerniswekkenden der aarde. Zoals de jarige die zijn kaarsjes op 1 januari uitblaast, gedwongen gekneveld aan de jaarlijkse familiekoffietafel, links een kokhalzend neefje, rechts een nog naar cava stinkende vettige nonkel. De ongewenste bastaard wier geboorte slechts ontzetting en tranen afdwingt. De mannen van de vuilkar. Maar daar stond ze dan dus, de vermaarde Vrouw aller Vrouwen, mij doorspiezend met haar Mona Lisa blik. Het Mariabeeld dat we met zijn allen zo-even nog stonden te bewieroken, stond alleen bij het altaar en keek verweesd neer op het gebeuren dat zich voor haar ogen in haar Huis voltrok. Waar iedereen zich omarmde, de avond vanuit zijn beleving recenseerde, chips vrat. In die ene seconde van onwaarschijnlijk intens oogcontact met deze brok versteende vrouwelijke kracht, beving me de gedachte aan een beeld dat ik eerder meermaals gezien had, jaren geleden. Iets van een klein dorpje ergens in Noord-Frankrijk, waar knoerten van venten aan het einde van een avontuur verzamelden bij een vuur en kilo’s gemarineerde wilde zwijnen en een enkeling het drinkgelag van op ruime afstand kon volgen, zij het een steenworp verderop gekneveld aan een boom en de mond gesnoerd met een doek. Zo stond ze daar, Maria, die net haar x-te Hemelvaart liet vieren, als een snorloze Assurancetourix haar eenzaamheid in stilte te bezingen.

Toen ben ik naar huis gegaan.

Auteur en foto’s: Nele Sterkendries