In 1168 schonk Hertog Godefridus (Godfried) III (1142-1190), bijgenaamd de Moedige, een charter aan de Tiense burgers waardoor Tienen bevrijd werd van de ‘Doode Hand’. Een charter dat als het oudst bewaarde, op schrift gestelde privilege van het hertogdom Brabant beschouwd wordt.

Tienen, één der oudste steden van Brabant, werd reeds rond het jaar 1000 tot stad verheven door Lambert met de Baard (960-1015), Graaf van Leuven, en omstreeks 1014 werd begonnen met de bouw van de eerste omheining van Tienen. Het was in 1288 dat de Tiense Kruisboogschutters onder Jan I (1254-1294) in de slag bij Woeringen hun heldhaftigheid tentoon spreidden, met het einde van de vijandelijke politiek van het prinsdom Luik als gevolg.

Jan I  (de gestileerde beeltenis van hertog Jan I, ook wel Jan Primus genoemd, staat op ieder flesje bier dat in de brouwerij van Haacht gebrouwen wordt) gaf onze stad als tegenprestatie een aantal nieuwe vrijheden en een wapenschild. Wit en blauw, tussen twee op de achterpoten staande schapen. Een verwijzing naar de, in de middeleeuwen zeer beroemde wol- en lakennijverheid.

In de XIVe eeuw was de stad Tienen een van de grootste en rijkste gemeenten van het hertogdom Brabant. Zo bezat Tienen op het einde van de 13de eeuw tolrechten, werden er openbare markten gehouden en beschikte de stad over een eigen systeem van maten en gewichten.

Deze welvaart ontstond voornamelijk door het in 1168 bekomen charter, aan onze stad geschonken door Hertog Godefridus III. Dit, in het Latijn opgestelde perkament, vernieuwde al de beloften (voorrechten) welke voordien aan de Tiense burgers werden gedaan door zijn voorgangers. Zo werd Tienen ontheven van de lasten van de zogenaamde ‘Doode Hand’, zijnde bepaalde successierechten bij het overlijden van man of vrouw. Dit was een recht dat vorsten en prinsen zich vroeger toeëigenden op de roerende nalatenschap van hun onderdanen. Hiermee wilden zij vermijden dat bezittingen, aanwezig op hun domein, in vreemde handen terechtkwamen.

Samenvatting van de (Latijnse) tekst van het charter van 1168 : “Voorrecht vernieuwd aan burgers van Tienen’”.

* ‘Godefridus bij gratie Gods, hertog van Lotharingen, aan allen toekomende en   tegenwoordige, voor altijd’.

* ‘Door dit charter hernieuwen wij het oude voorrecht van vrijheid, zoals het door onze voorzaten aan de burgers van Tienen werd verleend’.

* ‘Al de bijzonderheden van de bepalingen samenvattende, gevolg gevend aan de uitdrukkelijke wens en ons schikkende naar de wetten, die de burgerlijke vrijheid bevestigen met het oog op elke belediging of afpersing wat namelijk betreft de willekeurige verdelving van de goederen bij het afsterven van de echtgenoot, of diens vrouw, trouwens ten volle gerustgesteld door het gebruik, dat onze voorzaten maakten van hun gezag, plaatsen wij de betrokken burgers, om hun alle bekommernis te ontnemen, onder de bescherming van een eeuwigdurende vrijheid’.

* Volgen dan de namen van meerdere getuigen.

Het was door dit charter van Hertog Godefridus dat de symbolische uitdrukking van het oneerlijke recht uit die tijden, in de volksmond ‘Doode Hand’ geheten, voor de burgers van Tienen te niet werd gedaan. Deze akte is een oorspronkelijke oorkonde op perkament geschreven. Daaraan hangt, met een wit lederen snoer het hertogelijk grootzegel, een rode zegel zonder rugzegel. De Hertog zit op een dravend paard, draagt een maliënkolder en heeft een rondgebogen helm met neusplaat op.

Het charter uit 1168 was een mijlpaal op de weg naar de vrijheden van de Tiense burgers.

Auteur : Eric Walravens

Bronnen : M.Decoster, P.Kempeneers

Foto’s : Archief Tienen, eigen archief e.w.