Tienen (Frans: Tirlemont) is een plaats en stad in de Belgische provincie Vlaams-Brabant, in het noorden van het Haspengouws Plateau. De stad telt ruim 34.000 inwoners en ligt op een hoogte van 40 meter.

Oude sporen tonen aan dat het gebied reeds bewoond was in de Romeinse periode. In de 8ste eeuw was er sprake van de “villa” of vroege nederzetting Thuinas. In de vroege middeleeuwen zou er een kapel zijn opgericht ter ere van Sint-Martinus.

De Sint-Martinuskerk was de oudste parochiekerk van de stad, maar deze kerk verdween aan het begin van de 19de eeuw. Meer naar het oosten, rond de Sint-Germanusheuvel, ontstond een tweede bewoningskern. Deze plaats, de latere Veemarkt, was beter verdedigbaar. Hier werd de Sint-Germanuskerk opgericht.

Tienen maakte deel uit van het graafschap Bruningerode, dat vanaf de 10de eeuw behoorde tot het Prinsbisdom Luik. In de 11de eeuw ging Thuinas naar het Graafschap Leuven. De stad werd omwald en ommuurd, al bleef dit aanvankelijk beperkt tot een muur en gracht rond de Sint-Germanusheuvel.

Tienen had een belangrijke plaats op de west-oostelijke handelsroute, ontwikkelde een bloeiend handels- en ambachtswezen en de stad verwierf diverse stadsrechten. De stad kende vanaf de 12de en 13de eeuw een belangrijke lakennijverheid. Deze nijverheid kende haar hoogtepunt in de 14de eeuw en verwierf internationale bekendheid. Tegen het eind van de 15de eeuw liep dit terug.

In de zomer van 1635 werd de stad ingenomen, geplunderd en afgebrand door een gecombineerd Frans-Hollands leger.

Aan het begin van de 19de eeuw werden de stadswallen en poorten afgebroken en er kwam op de meeste plaatsen een brede ringlaan voor in de plaats. Deze voormalige vesten zijn herkenbaar aan de de straatnamen. De invalswegen werden verhard en verbeterd. Op 21 september 1837 bereikte de eerste spoorlijn, Brussel – Leuven – Tienen, de stad. Daarna kwamen er meer spoorlijnen en werd Tienen een belangrijk knooppunt. Door de betere transportmiddelen werd het mogelijk de suikerbieten van heel de streek naar de suikerfabrieken in Tienen te vervoeren. De veredeling van bietsoorten met die een veel hoger suikergehalte hadden, maakte het winnen van suiker uit de bieten rendabel. De oorspronkelijke suikerbieten hadden maar ongeveer maximaal 8% suikerinhoud. Door middel van veredeling werd dit percentage opgekrikt naar 15% (tegenwoordig haalt men 17%). De rijke landbouwgronden in de streek zijn zeer geschikt voor deze teelt. De suikerverwerkende industrie werd kenmerkend voor de stad en blijft ook nu nog een grote rol spelen in de economie van de streek.

Tot in 1898 werden de suikerbieten vanaf het dichtstbijzijnde station Grimde overgeladen op karren om deze naar de suikerfabriek te brengen. Om het overladen te vermijden, werd in 1897 door de suikerfabriek een aanvraag ingediend voor een eigen rechtstreekse spooraansluiting van het spoorstation naar de fabriek. Dit liep gelijk met de aanvraag van de buurtspoorwegen om de eerste trammeterspoorlijn aan te leggen (zie kopje Buurtspoorwegen). De fabriek kreeg zowel een meterspooraansluiting op het buurtspoorwegnet als een normaalspooraansluiting op het nationaal spoornet. Daarnaast is er vanaf 1886 tot de Tweede Wereldoorlog een ‘luchtspoorbaan’ geweest van het station Grimde naar de suikerfabriek. Dit was een kabelbaan voor goederen die voor het transport van bieten en steenkolen gebruikt werd.

Buurtspoorwegen

Omstreeks de eeuwwisseling 19de/20ste eeuw werden drie buurtspoorweglijnenaangelegd. Dit zijn de volgende lijnen:[2]

  • 21-01-1898: Haacht – Aarschot – Tienen
  • 16-06-1902: Tervuren – Bevekom – Tienen
  • 29-09-1907: Sint-Truiden – Tienen (Deze lijn loopt vanaf de suikerfabriek samen met de particuliere normaalsporige aansluiting van de suikerfabriek, tot dicht bij het station Grimde.)

De eerste twee lijnen kregen een tracé door de binnenstad, maar er werd tegelijk een ringlijn aangelegd in verbinding met de suikerfabrieken zodat de zware goederentrams met hun bieten niet door de binnenstad hoefden te rijden. Voor de laatst aangelegde buurtspoorweglijn uit Sint-Truiden in 1907 werd wel een tracé voorgesteld door de binnenstad, maar deze route werd geweigerd en trams moesten de reeds bestaande ringlijn gebruiken. De reizigerstrams bedienden het spoorwegstation aan de stadszijde. Na een spoorvernieuwing in 1930 werden de trams uit de binnenstad geweerd maar konden wel het spoorstation bereikten. De trams uit Bevekom moesten hiervoor wel een omweg maken langs de ringlijn en de stelplaats aan de achterzijde van het spoorstation. Sommige trams eindigden dan ook bij de stelplaats die redelijk dicht bij het spoorstation gelegen was. Het massale bietenvervoer was het belangrijkste vervoer van de buurtspoorwegen in de streek. Tijdens het oogstseizoen werden de goederenwagens geparkeerd langs de talrijke spooremplacementen in de streek, zodat de boeren deze konden vullen. De goederenwagens werden dan opgehaald en in lange treinen vervoerd naar de suikerfabriek aan de oostkant van Tienen. De meevervoerde aarde werd afgespoeld en teruggebracht naar de boerderijen. De suikerfabriek bestelde in 1915 haar eerste stoomlocomotief. Vanaf 1930 werden de stoomlocomotieven voor reizigerstrams vervangen door motortrams.

 In de jaren vijftig van de 20ste eeuw werd het buurtspoorwegnet afgebouwd:
  • 16-05-1953: sluiting lijn naar Aarschot voor het reizigersverkeer
  • 02-10-1954: sluiting lijn naar Sint-Truiden voor het reizigersverkeer
  • 29-09-1955: sluiting lijn naar Aarschot voor het goederenverkeer
  • 29-11-1959: sluiting lijn naar Bevekom voor het reizigersverkeer. Dit was de laatste spoorlijn met motortrams in Brabant.
  • 02-05-1962: opheffing van de laatste goederentrams op het overblijvende spoornet. Dit was van Nethen (lijn Bevekom) tot Halle-Booienhoven (lijn Sint-Truiden) en Noduwez (lijn Geldenaken Sint-Truiden). Op het laatst werden de goederentrams alleen ingezet voor het bietenvervoer in het voorjaar. Na 1962 waren de sporen in zo een slechte staat dat de sporen opgebroken werden.