Wie op zoek was naar het beste date-idee van het jaar, is eraan voor de moeite. Met ‘Parklife & Movies Open Air’ zette OpgewekTienen een heerlijke portie park-entertainment op het menu waar elk menselijk hart bij zou smelten. Kunst, beweging, lekkers en adembenemende open air cinema vonden elkaar tegen de achtergrond van het gerenoveerde sneeuwwitte parkpaleis, badend in het zonlicht en broeiend te midden van de giecheltjes vanuit het struikgewas. Voorbij zijn de dagen dat enkel joggende turnles-slachtoffers en ander onguur tuig het groene hart van Tienen regeerden.

Waar eens het stadspark enkel voor vandalen, moedige senioren en een dozijn hardcore Poppentheater Tijl-bezoekers was weggelegd; daar kon men nu over de kinderkopjes lopen op de graspartijen langs de Broekstraat, heupzwaaiend elkaar omver-hoelahoepen op de wellicht nooit eerder in gebruik geraakte petanquepistes of mee wiegen op deuntjes livemuziek. Een gemengd publiek, doorspekt van alle leeftijden en paspoorten. Weg zijn de vermoedens over lijken in de zompige vijver bij de aanblik van de zonnebadende schildpadden en parende libellen aan de wateroppervlakte. Spelen zult u, bezoeker, en lachen, en drinken, en genieten. Magie bestaat dus toch.

Daarvoor waren we, eerlijkheidshalve, toch vooral gekomen: om ons innerlijke kind even van zijn halsband te ontdoen. Dekentje spreiden, snaveltjes dicht en oogjes wijd open voor ‘Belle en het Beest’. Schaamteloos meezingen met het onsterfelijke ‘Tijdenlang verhaal’. Smelten voor Gaston die nog steeds even onvergeeflijk knap maar bloedvervelend is. Als meeslepende reis terug in de tijd viel deze welgekozen Disney klassieker best te pruimen.

Magie voor twee dus. Soms zelfs in die mate, dat bepaalde bezoekers helemaal het noorden kwijt raakten, onder meer door toedoen van het werk van de deelnemende kunstenaars die het park als speelterrein cadeau hadden gekregen. Tussen het groen vielen dino’s te ontwaren en groeiden houten organische bubbels…

En werd ons, op confrontatie broedende hart, gevoed door een schijnbare aankondiging van een aanvraag tot bouwvergunning voor ‘Park-ing’. Een mysterieus experiment dat binnen een mum van tijd op sociale media voor beroering zorgde. Na enige gerstenatten zou ons later bezinken dat het aantal schrijffouten in de aankondiging omgekeerd evenredig gecorreleerd was met de waarachtigheid van de aangevraagde bouwvergunning. Genoeg gespreksstof voor de volgende uren!

Men kan bezwaarlijk stellen dat mijn blik op het park neutraal is. Als Tienenaar, met reeds enkele boomringen op de teller, blijft de moedeloze sfeer die het park tot een half decennium geleden uitademde een blijvende herinnering, waarbij elk contrast als een roze wolk, een illusie wordt ervaren. De ommekeer die Parklife evenwel op korte tijd in dit groene stadskwartier tot stand gebracht heeft, valt terugblikkend op de afgelopen decennia van stiefmoederlijke behandeling en ontbrekend initiatief op zijn minst gezegd visionair te noemen. Het stemt alleszins tot nadenken dat een burgerinitiatief de koe bij de hoorns durfde te vatten, geruggensteund door een gezond evenwicht van dromen en daden. Dat dit opzij geschoven stukje Tiens erfgoed opnieuw bloeit door een herboren besef van stadsinvulling.

Het stemt alleszins tot nadenken dat een burgerinitiatief de koe bij de hoorns durfde te vatten, geruggensteund door een gezond evenwicht van dromen en daden.

De trotsheid die men bij de bezoekers op het gezicht kon aflezen, dat zoiets in hun stad kon, dat wij dit voor elkaar kunnen krijgen, spreekt boekdelen. Het is uitkijken geblazen naar editie 2018, en het is nog meer uitkijken naar het hieruit voortgroeiende optimisme. Parklife, ofte ‘De grote goocheltruc, waarbij iedereen zich als een verliefde tiener in het park voetjewrijft’ heeft ons doorheen de jaren deelgenoot gemaakt van een sentiment dat tot voor kort slechts voor enkelen van ons voorbehouden was. Iets dat de ironie van de ‘We *hartje* Tienen’ in één adem doorprikt en herkauwt tot een geloofwaardig alternatief. We zijn goed bezig, geloof ik.

 

Auteur: Nele Sterkendries

Foto’s: Philippe Van den Panhuyzen