Laten we maar meteen met de spreekwoordelijke deur in de toren vallen. Er is al veel gezegd en geschreven over de ‘Toren van Stellingen’ die bovenaan de Vierde Lancierslaan prijkt. Maar ik dacht: “Zolang je het gevaarte niet zelf hebt bedwongen, heb je geen recht van spreken.”

Ik was er nochtans al vaak langs gewandeld en of je nu fan bent of niet, opvallen doet-ie wel. Het stoorde me eigenlijk nooit dat de toren langzaamaan verrezen was als een soort van baken voor het station, en gezien de toestand van de voorgevel van het station, kunnen we ook niet betreuren dat dit antieke stukje Tienen voor een poos verborgen gaat achter het stalen geraamte.

De halogeenblauwe lichtstrook die de toren ’s nachts verlicht tovert hem op de donkere winterochtenden om tot een abstracte vuurtoren, waar treinen, bussen, auto’s en fietsers hun steigers vinden, als een obelisk van mobiliteit.

Een mens zou er haast poëtisch van worden. Hoewel,…één blik op de sociale media volstaat om te zien dat niet iedereen even lyrisch is over de constructie: “Wat voor iets lelijks is dat?”, “Daar hebben ze weer geld voor hoor!”, “Afbreken die rommel” … de Tiense Bleiter laat zich weer van zijn fraaiste kant zien. Naar mijn idee denken de mensen dat dit een ernstig functioneel bouwwerk is en missen ze het symbolische, metaforische concept dat erachter schuilgaat. Men wil net aantonen dat Tienen, en de stationsbuurt in het bijzonder, in de stellingen staat, maar dat dat niet wegneemt dat je in de toekomst kan kijken. Meer nog, de toren moedigt ook alle Tienenaren aan om ‘stelling’ in te nemen. Iedereen kan zijn spreuk, bedenking of mening kwijt aan de lichtkrant die aan de rechterzijde van de constructie prijkt. Jammer genoeg beperken die wijsheden zich vandaag nog tot wat Phil Bosmans-achtige spreukjes over een ‘leuke’ stad, over bloemetjes en verbondenheid. Veel discussie of controverse zal de toren op dat gebied niet uitlokken. Indien het concept zich zou wagen aan een live-twitterwall, zouden we ongetwijfeld iets pittiger materiaal zien passeren. Needless to say, weten we ook allemaal dat dit zeer snel gekaapt zou worden door dezelfde zuurduimen die via hun zelf toegekende sociale-mediavrijheid eenzijdige engdenkerij hun toestel in zouden trommelen.

Is Tienen dan niet klaar voor een conceptueel statement zo midden in de stad? De stad gelooft alvast van wel, want ze hebben flink mee geïnvesteerd in de ‘Toren vol Stellingen’. Indien de commentaren op sociale media een leidraad zouden zijn, zou er ook geen Heldenland zijn, geen nieuwe ring, geen nieuw ziekenhuis, geen Oud College, geen Skibar, geen lijsttrekkersdebat … en ga zo maar verder. Dus ik prijs me gelukkig met een stadsbestuur dat selectief doof durft zijn en soms gewoon vasthoudt aan een gedurfde beslissing.

Lang verhaal kort. Het was een zondagnamiddag toen ik aan de voet van de toren stond, samen met mijn kleuterdochtertjes. Zij keken met open mond naar boven. Ik was mezelf alvast moed aan het inspreken voor we aan onze beklimming begonnen. De eerste helft van mijn 40 jonge jaren, heb ik nooit last gehad van hoogtevrees, maar de tweede helft betrapte ik me steeds vaker op de weke knieën en kleine maag die gepaard gaan met de zogenaamde vertigo of hoogte- of valvrees. De aanwezigheid van mijn meisjes gaf me gelukkig een prioritaire bezorgdheid: ‘Tuurlijk is papa niet bang! Kom we gaan naar boven!’

Vijftien meter hoger, na de vaststelling dat zo’n stelling toch een wel erg open en niet noodzakelijk super stabiele constructie is, begon die façade wel wat barstjes te tonen. “Niet aan de rand gaan staan, meisjes. Blijf hier maar in het midden. Niet naar beneden kijken ….”.  Ik wees hen op de kerktorens die zusterlijk de skyline van onze stad delen. Op de suikerfabriek in de verte. We zochten waar ons huis ergens zou staan. We probeerden in de verte te turen om aankomende treinen te spotten, en voor ik het goed door had, stonden we minutenlang over de stad uit te turen. Ik zou er graag aan toevoegen, dat je vergeet dat je boven op een metalen stelling staat, maar daarvoor was de opluchting dat ik wat later weer op de begane grond stond, net te groot.

Als onze ‘Toren vol Stellingen’ dan al iets doet, dan is het wel dat hij ons opnieuw dwingt om op een andere manier naar onze stad te kijken, zowel letterlijk vanuit het vijftien meter hoge vogelperspectief, als figuurlijk in de discussie over welke soort stad we samen kunnen zijn. Eeuwig zal hij er niet blijven staan, beste zuurduimen, dus maak je geen zorgen daarover. Maar als hij ons kan entertainen in afwachting dat het kale, verouderde stationsplein dat zelf weer kan doen, lijkt dit zelf uitgeroepen belfort(je) voorlopig geen slecht alternatief.

Auteur: Alain Van Den Broecke

Foto’s: Annemie Verboomen en Alain Van Den Broecke