De man naast me is zabberend op mijn schouder ingedommeld.

Niet opzettelijk, dat zou ik hem niet durven verwijten, al geniet hij zienderogen van het toevalskussen dat zijn ronken absorbeert. Zonder het geratel dat nasaal in mijn schouder weggedrild wordt, had ik de charme van dit onverhoopt vleugje intimiteit vast ingezien. Maar dit is nog steeds een nachtbus, even na 3 uur, de geur van energiedrank verkrampt mijn neuszenuwen en de airco staat volhardend ingesteld op stand ‘Antarctica’. Mijn beenspieren zullen binnen dit en de eerstvolgende 4 uur langzaam afsterven, een stijve nek stond als ongeschreven belofte op mijn busticket.

Ik kraak mijn nek de andere richting uit. Onder het grijnzende schemeren van de lantaarnpalen voert onze chauffeur een strijd op leven en dood met zijn elektronische sigaret, of hoe dat metalen brokje kanker ook mag heten in het jargon. Zijn ogen knipperen nerveus, de koffie doet zijn werk, stel ik gerustgesteld vast. Intussen sluipt de douane naarstig rond de bus, de drugshonden als noeste metgezellen aan hun zij.

Mijn buurman verslikt zich plots, hij proest een haarbal uit zijn opengesperde mombakkes. Snel trek ik mijn schouder van onder hem uit. Hij kijkt me verontschuldigend aan en kapt een liter cola binnen voor hij zijn geluk op een andere zij beproeft.

“Dus wat als ik straks aankom?” vraagt mijn brein zich niet geheel onterecht af. “Wanneer ben je eigenlijk echt voorbereid op die ene omhelzing die 500 uren busreizen waard is?”

Hij zou me opwachten.

Ik kom dan binnen en zoek turend door de ruimte, en vind hem, zittend aan een tafel met een eenzame tas koffie.  

Zijn ogen klaren op wanneer we elkaars blik voor het eerste kruisen.

Hij staat op, groots als een Viking, en buigt zich over mijn dwergengestalte. Mijn handen strelen het kroezelige haar van zijn bakkebaarden, zijn nek, zijn oorbel.

Mijn schaap, hard en zacht als een lam in mijn armen.

En dan begint onze dag, deze karige 24 uur van verlangen.

We struinen rond, de handen die elkaar behuild hebben, nu weer samengesmeden in een zachte worsteling.

Onze vingers beroeren elkaars handpalmen wanneer we de roltrap nemen, als twee fluwelen handschoenen vervlechten we in een minnend weefgetouw.

Ik ben zeker dat iedereen mijn glunderen ziet.

Voorhoofden in elkaar gezonken, een gestolen kus.

We glimlachen, oorbreed, deze dag, omdat het afscheid daags nadien de enige zekerheid is die we hebben.

En hoe kloek de minuten ook vervliegen, ze zouden elk treuzelend uur op de bus herleiden naar een voorbijfladderende seconde.

Wachten is relatief.

Maar dat hij me opwacht, dat is zeker.

Daar komen de drugshonden al op de bus. Snuffelend betasten ze benen en bagage,  nog drie rijen van mij vandaan nu. Mijn buurman zevert zich intussen slaapdronken een baan richting vegetatieve status. Een van de honden houdt halt voor onze rij. Hij stopt en doorsnuffelt de broekspijpen van mijn comateuze reisgezel. De hele bus staart bedwelmd naar het toneelstuk dat op het punt staat zich te ontvouwen.

Hij is zo volmaakt dat het pijn doet.

Die ene tand die scheef voor de andere gevlochten staat, siert zijn glimlach, laat mijn keel volstromen met onuitgesproken gekte.

De brandwonden op zijn handen doen me bij elke aanraking ontvlammen als een zoemend zwavelstokje. Zachte, roze huid, die zich soepel laat kneden onder mijn draaiende duim.

Of hoe zijn basstem me telkens opnieuw overvalt als een huiverende hartslag.

Deze lieve, wachtende man. Die met één blik mijn ziel ontvlamt en mijn lenden verwarmt, mijn evenwicht verstoort en me weer in balans brengt.

Als katten doorsluipen we de slapende stad, zij aan zij, onze speelse passen jongleren lichtvoetig door het natte neonlicht.

We kwelen alle liederen die we kennen, proesten elkaars gezichten aan fladderen met bontgeverfd gebrabbel.

Dit is de dag waarop we hiërogliefen leren lezen.

En elkaar in de cartouches van ons geheugen kerven, nageldiep, bloedend.

Mijn hart bonst in mijn keel, mijn buurman schijnt nog steeds geen teken van leven te geven. De drugshond is inmiddels wild aan het krabben aan zijn rugzak op de grond. Een van de douaniers tikt voorzichtig op de schouder van de man naast me, maar merkt niet op hoe hij plots bliksemsnel een mes uit zijn binnenzak grist en in één haal het knipmes op mijn keel zet. De douaniers deinzen terug, de verschrikking in hun ogen is even echt als het scherpe lemmet dat tegen mijn keel drukt bij elke inademing, elke hartslag. In één seconde ben ik klaarwakker, rondom me klinkt gegil, de honden beginnen dreigend te grommen. “Dit is niet aan het gebeuren, dit is niet aan het gebeuren, dit is een nare droom, wordt wakker, wordt wakker,” sist mijn hoofd, mijn hele lichaam is verstijfd in ijskoud angstzweet. Mijn ogen draaien schichtig in het rond, proberen een punt te zoeken dat deze illusie kan doorprikken. Maar er is niets, geen houvast, enkel de brandende, onverklaarbare haat in de ogen van de man die net nog vredig op mijn schouder lag te dromen.

“Er is geen reden om domme dingen te doen,” zegt één van de douaniers verzoenend, met zijn andere hand gebaart hij naar zijn collega’s achter hem om afstand te nemen. “Dit is een routineonderzoek, wij wensen u enkel een paar vragen te stellen.”

De man zegt niets terug, hij kijkt de douanier doods in de ogen. Achter me hoor ik een meisje verslikken in tranen van ontzetting. Raspend haspelt hij: “Iedereen blijft in deze bus”, ik voel hoe zijn greep rond mijn keel zich versterkt, “of er stapt één iemand minder van de bus als we aankomen.”

Hiërogliefendromen zijn zo echt als wij echt zijn.

Je leest ze best in braille, zoals je je geliefde betokkelt als een dierbaar instrument.

Neem ze niets kwalijk wanneer ze vervliegen, ze zijn vluchtig en onomkeerbaar, maar leven eindeloos voort.

Hij wacht me op. Straks.

Ons spoor van sneeuwstappen dat de stilte van de nacht heeft doorzeild, houdt halt bij een zwarte toren, een tempel zou je in het pekduister durven zeggen.

We klimmen, klauteren door de warmte van de gangen, tot de deur ons beveelt naar binnen te gaan.

Witte gordijnen wapperen naar binnen, de snedige sneeuwwind knabbelt aan onze neuzen en oren.

Het is ijskoud, maar hij vangt mijn geril op met zijn grote, brede zwerversarmen.

“Wees niet bang, mijn lief, want we zijn alleen, deze ruimte is voor ons, eeuwig.”

De krant, daags nadien: “Douanecontrole op nachtbus eindigt in bloedige wanhoopsdaad. Vrouw (25) overleeft verwondingen niet.”

 

Auteur: Nele Sterkendries