Liefste Tiense nachtdieren,

Het leven is te kort om zonder dubbellevens ingevuld te worden. Als er al één waarheid is, die de nachtelijke gesprekken op mijn queeste door avondlijk Tienen hebben gekleurd, dan is het deze wel. Graag neem ik hierbij de gelegenheid om dit thema te ontkleden, wat zeg ik, te fileren als een smakelijk stuk verse zalm.

De mens, gekweld door het brandende daglicht dat zijn leven vol verplichtingen kleurt, zoekt naar ontlading. Dit is zo, was zo, zal steeds zo blijven. Zolang we weigeren het robotstatuut aan te nemen, dat we door al wat hoger en groter en gevaarlijker dan onszelf vriendelijkerwijs opgedrongen krijgen, is de kans groot dat we een leven zoeken dat in balans is, en waarin we zinvol ons mensenrolletje ten beste kunnen geven. Laat nu de wetmatigheid zo zijn, dat we die ontlading hoofdzakelijk kunnen zoeken op het ogenblik dat we ons in een omgekeerd evenredige lichtbalans bevinden. Wie werkt overdag, daagt zichzelf bij nachtval uit, en vice versa voor alle verpleegsters en beveiligingsagenten van deze wereld. We worden als het ware kopieën van onszelf, één dag- en één nachtversie om concreet te zijn. Ons vrije leven is een negatiefbeeld van ons werkleven, zoiets. Opmerkelijk hierbij is, dat men bij een omkering van deze ontspannings-werkcyclus een moment van magie vindt, waar elke leerling-tovenaar een puntje aan zou kunnen zuigen. Laat dit nu exact de momentopname zijn die ik vannacht wil terugvinden.

Ik daag mezelf uit om een rollenspel aan te gaan. Vannacht word ik voor één uur politieagente. Zo eentje die om 3 uur ’s nachts in haar combi vol toewijding de wacht houdt en knabbelend op bevroren boterhammen wacht tot ze de achtervolging kan inzetten op … tsja op wie? Het is een beetje als de tantra versie van de open air cinema, je kijkt naar de film van de nacht die lang uitgerekt je zinnen bespeelt in één grote uitgestelde zindering. De drang naar spanning lonkt, een onvervulde kinderdroom staat op het punt volbracht te worden. Dit wordt een nacht waar ik in mijn memoires vol nostalgie aan zal terugdenken.

Als slagveld voor dit experiment kies ik de parking tussen Kebab Aydin en ’t Hoekske, de perfecte biotoop voor elkeen die van plan is iets te ondernemen wat geen daglicht mag zien. Ik rijd de parking op met mijn ijzeren ros, parkeer me strategisch met mijn rug naar het café om elke afleiding van de zich binnen afspelende taferelen te vermijden. Zabberende regen likt de autoruiten, kebabvretend Tienen marcheert nonchalant voorbij. Doorheen de aangewasemde ruiten klinken ronkende motors, dichtslaande deuren en schreeuwstemmen dicht en koud. Niemand die me luidop hoort denken over de scenario’s die ik wil en niet wil zien. De duisternis van het gluren zit me als gegoten in deze cocon van glas.

Ze bewegen zich als bultenaren, mijn lieve stadsgenoten, gebukt onder het heldere zwart van de nacht als alternatief voor de grijsheid van de dag. Sommigen vluchtend, anderen jagend op een moment van verzoening met de schoonheid van het bestaan. Stiekem heeft iedereen een plan achter de hersenpan, dat kookt en borrelt en hoopt een uitweg te vinden langs neusgaten, handen, kussen. Ze grijnzen, ze hebben verzuurde grappa gezopen, zegt de instant flik in mezelf. Oppakken die handel, ze deugen niet nog voor ze hun plaats delict hebben bereikt. Heeft niemand jullie verteld dat deze parkeerplaats een rustplaats is voor gestorven dromen? Waar mensen haastig zijn, angstig voor een moment van stilstand? Paarsblauw licht is onze sfeer, als uitroepteken van koude.

Wat me in jullie aantrekt, lieve mensheid, is jouw behoefte naar aan- en afrijden, het glijden door het bestaan als een door regen schoongeboende wagen. Jullie leven een bestaan op sterk water, geconserveerd en netjes. Zelfs jullie parkings liegen er niet om.

Er tokkelt iemand op mijn ruit. Dit is het moment waarop ik jullie moet verlaten, lieve nachtdieren. Het is een agent. Een echte. Ik ben kennelijk verdacht.

 

Auteur: Nele Sterkendries

Foto’s: Alain Van Den Broecke