Broeders en Zusters van de Tiense Schemering,

Tot u spreekt een Nachtorakel dat zich in een moment van zelfvertwijfeling veroordeeld heeft tot een avondje bankzitten aan het Weeshuis van Tienen. Een plek die uitademt dat ongewenst gezelschap welkom is, een broeihaard voor praatjes in de maak, voor wezen van de nacht op pad. Petanqueballen ben ik vergeten, dat wordt weer een uur vergeefs mezelf entertainen met alle lamlendige pantoffeldragers die zich rondom me wensen te begeven. Een aantal dat stevig aanleunt bij nul, maar het is plus 4 dus ik houd mijn snavel.

Een plek die uitademt dat ongewenst gezelschap welkom is, een broeihaard voor praatjes in de maak, voor wezen van de nacht op pad.

Mijn door sociale conventies getekende ziel schreeuwt dat er zinvollers bestaat dan gewoon zitten en anderen blootstellen aan mijn emotionele exhibitionisme op dit veel te nuchtere punt van de week. Ik hoor u afkeurend snoeven. Wanneer gebeurt hier nu eindelijk eens iets in dat godverdomse lang en breed uitgestreken relaas dat we week na week toch blijven lezen tegen beter weten in, tegen best weten in zelfs? Een tirade gun ik u, mijn zinloosheid geef ik u. En zo ben ik ervan overtuigd dat we dit toneeltje nog wel enige tijd zullen opvoeren. U vraagt zich af wie van ons gevangen zit in deze gehele maatschappelijke patstelling van lezen en gelezen worden, waarin we ons verweven hebben? Ga ervoor, geef me de volle lading, maar weet dat aan het einde van de rit slechts een waarheid het papier laat smeken naar meer. De keuze om hier op te houden is even verleidelijk als de keuze om door te gaan. Wees de wees die u wil wezen in dit verhaal van me, waarvan we allebei weten dat het verzonnen is, even verzonnen als u en ikzelf. Ik gun u een rol in ons verhaal.

Want dat is het namelijk, edele nachtegalen van de suikerhorizon, mijn avondbron droogt op, ze verkruimelt me lachend toe. In koelen bloede dompelt ze me onder in een nacht die telkens korter en roder wordt, schemering borduurt inmiddels aan haar zoom. We moeten ons reppen om al dat maanrijke avontuur nog mee te maken, niet te laten wegkruipen, zoals we dat al jaren deden. En laten we vooral samen sluipen, gesluierd, u en ik, want we zijn met twee, lieve lezer.

De winternacht is tragikomisch in zijn eenzaamheid: ze is niet zo driftig als de lentenacht, vol vogelgefladder, krijsende egels die verscheurd worden door je honden die de grote lenteschoonmaak tot de tuin doortrekken; niet zo naakt als de zomernacht, die je bij het smelten van de zon aan het einde van de dag vergast op een warmwaterkruikgevoel over je hele lichaam – après-soleil in de manen van je armen, het zachte putje van je knieholte; niet zo dramatisch als de herfstnacht die je omarmt in een fin-de-siècle orkaan van wind, regen en modder. Ze staat alleen, schreeuwt om gezelschap, zoekt en vindt niet, stelt teleur, elke keer opnieuw. Ze vermant zichzelf met de gedacht aan festiviteiten, die zelfs geeneens ter harer ere worden ingericht. Mits enige zin voor historische correctheid kan men zich slechts met een slecht geweten voorspiegelen, dat al dat gefeest ter ere voor de Duisternis wordt georganiseerd. Of bedoelde ik misschien Duitsernis? Was het nu Duistere Duitsernis of Duitse Duisternis? Grimselzwart zijn we allemaal, houd je mond, innerlijke verzetsstrijder van mijn voeten. Hagelblank zijn slechts zij die de winternacht oprecht eren waarvoor ze te eren valt: koude en kapotte lippen. Een sprankeling hoop sta ik u toe. De romantiek van de bij kaarslicht verlichte avond met een boek op schoot of je maîtresse in hare pure-noir op de tapis plein voor de haard is bij momenten nog herkenbaar in een roodgloeiende lampadaire aan de Chaussée d’Amour die uw Nachtorakel tijdens haar uren als arbeidsslaaf voorbijtsjengelt op weg tussen het thuis- en het werkfront; maar verder dan dat slaagt men er slechts zelden nog in zichzelf wijs te maken dat het heerlijk uitkijken is naar dat eindeloze beeldschermflirten waar we ons willens nillens elk jaar weer aan bezondigen. Dientengevolge begraven we ons in zelfmedelijden, een vicieuze cirkel, het zwarte gat dat zijn dieptepunt kent in een dampende bezinkingsput.

In het zweet des aanschijns verplichten we ons tot een leven van streven naar perfectie, en een nacht op een bankje aan het Weeshuis stemt dan tot de nodige gedachtenarbeid. Hoe kan een nacht op zijn mooist zijn? In geschrifte kan elkeen hier te Lage Landen tussen 12 en 100 slechts één nacht de bij benadering ideaalste noemen, de nacht van Guus Meeuwis, die we met z’n allen bezongen zo even na het krijgen van onze eerste okselharen bij een kampvuur in een Ardeens bos. We dromen universeel van voetjevrijen op een hotelkamer bezaaid met onbestemde kledij, dat is op zijn minst verontrustend te noemen. In onze eenvoud des hartes hebben we de ideale nacht synoniem gemaakt voor liefde van nul en gener waarde. Te allen prijze willen we liefde, bende idioten, zoiets kan enkel op februari veertien, vergeten misschien? Bedenk tezelfdertijd dat de Arabische cultuur duizend-en-één perfecte nachten kent. We zijn suffe sukkels als je het zo bekijkt.

Dit bankje, hier, op deze eigenste nacht aan het Weeshuis, biedt meer perspectief dan welke parallellepipedum dan ook.

Dit bankje, hier, op deze eigenste nacht aan het Weeshuis, biedt meer perspectief dan welke parallellepipedum dan ook. We zijn marionetten van onszelf geworden, we flikflakken ons door het leven met vooraf ingesproken tekstballontjes, giechelen onszelf een weg naar geliefdheid. Tersluiks worden we de karikaturen die we in anderen wensen te zien. Dat en niet minder zegt de avondlucht me. Als nachtorakel ontvangt men soms zenders op antenne die u niet te allen tijde te zien krijgt. Het is een wereld van tijd- en ruimtereizen met de snelheid van het licht door een gedachtestroom in lichterlaaie, zeker als er weeskinderenlucht de luchtwegen verbrandt. Inderhaast zeggen we mekaar meer dan we zouden willen, gewoon, omdat we kunnen praten en dat praatorgaan van ons een eigen leven leidt. Dit is een prettig gesprek. We stoppen tijdig om het spannend te houden.

Ik wens vanavond niemand in gebreke te stellen en dank mijn luchtledige gezelschap. Of er nu vlees aan te pas kwam of niet, u was me er eentje. De onbestaande man of vrouw of kind hier vanavond aan het Weeshuis en ikzelf gaan elk in allerijl ons weegs, richting leegte. Onverrichter zake sta ik voor mijn deur, ik was van plan een droom in werkelijkheid te beleven. Van lieverlede glijd ik in mijn pyjama, het is vroeg, ik weet het, maar we hebben er allebei zin in, dat ruik ik aan u, lezer.

Maar tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Nonkel Elsschot had het niet beter kunnen verwoorden in zijn fabeltjeskrant. Te bekwamer tijd komen we er wel.

Slaapwel.

 

Auteur: Nele Sterkendries