“Welcome to the starship Enterprise”, dat is zowat het enige wat ontbreekt als ik door de automatische schuifdeuren van de vernieuwde bib binnenwandel. Het nieuwe kraaknette witte decor voelt erg modern aan. De plastic toegangspanelen lichten rood op terwijl ik binnenloop. Niet bang voor enige theatraliteit, zwier ik de zak met mijn boeken een paar keer doorheen de panelen. De fluorode verlichting springt telkens opnieuw aan. Geamuseerd kijk ik naar de bibliothecaresse die me vriendelijk toelacht. “Ik ben nog niet goed binnen en ik sta al in het rood!”, lach ik. Ze komt op me toe gewandeld, ongetwijfeld iets denkend als: “Allez, nog zo ne flauwe plezante…”.

Blijkbaar heeft de bibliotheek zelf gelezen dat ik in mijn tas nog ontleende boeken heb zitten en wil het gebouw er me met de rode lampen op wijzen dat ik me naar de volautomatische ontleentoestellen mag begeven. Erg postmodern allemaal. George Orwell zou duimen en vingers hebben zitten aflikken.

In onze nieuwe bibliotheek volstaat het om je boeken op een metalen lade te leggen en de computer leest welke boeken je bij hebt, welke je vergat en hoeveel je boete bedraagt. (Dat laatste is er in mijn geval helaas haast systematisch bij.) De betaling kan je ter plaatse doen, waarna je de instructie krijgt om je ingeleverde boeken in een van de kastjes naast het toestel te leggen. Het hele proces verloopt in interactie tussen mens en machine. De vriendelijke bibliothecaressen loopt vriendelijk af en aan om iedereen wegwijs te maken in het nieuwe systeem. Maar ik bedenk stiekem dat hun werk een van die beroepen lijkt, die in de toekomst blijkbaar volledig vervangen zullen worden door een gerobotiseerd toestel.

Overdreven tevreden over mijn succesvolle interactie met het toestel,  werp ik een blik over de vernieuwde afdeling. Allemaal erg mooi. De signalisatie is duidelijk en gestructureerd en er staat een grote lees- en werktafel die uitnodigt om een van de werken uit de kleine boekenpiramides te graaien en je te installeren. Rond de hoek spot ik een aantal mensen die zich in de leeshoek hebben genesteld. Een beetje verborgen, uit de drukte… ideaal om even een dagblad of periodiek te doorbladeren. Een half verdiepje hoger is een ruime en praktische computerhoek uitgebouwd. Ik mompel goedkeurend.

Maar goed. Ik kwam hier om wat lectuur voor de kinderen op te pikken, dus geïnspireerd en benieuwd ga ik op pad naar de jeugdafdeling. Het is in de hal echter al duidelijk dat de afdelingen op de verdiepen nog niet hebben mogen meegenieten van de make-over. Althans niet zo opzichtig. De meest opvallende wijziging in de kinderafdeling is dat de uitleenbalie gereduceerd is tot één tafeltje met een computer. Daardoor is er nu meer ruimte om alle kleuterboekjes in het midden van de afdeling op te stellen, zodat er 360 graden graai- en leesplezier is voor de allerkleinsten.

Een oude dame stopt bij de balie en legt er twee boeken op. De bibliothecaresse helpt vriendelijk: “Inleveren of uitlenen?”.

“Ik kom deze gewoon even afgeven”, zegt de mevrouw.

“Dat mag u nu gewoon beneden doen, aan de toestellen.”

“Ah ….? Maar ik kom ze gewoon inleveren, ik moet niets….”

“Ja. Dat gaat nu allemaal beneden, aan de ingang.”

De oude dame kijkt wat verward, maar besluit om te conformeren en begeeft zich weer naar de benedenverdieping. Ik lach naar de bib-medewerkster: “Word je op die manier niet gewoon vervangen door een toestel?”

“Neen hoor,” antwoordt ze zelfzeker, “nu hebben we meer tijd om al ons andere werk te doen, … hier op de afdeling en in de back-office.”

“Back-office?”

“Ja, op de bovenste verdieping zijn onze kantoren. Er komt best wel meer bij ons beroep kijken hoor! Ik denk dat de mensen soms zouden schrikken als ze dat zouden weten!”

Op de bovenste verdieping. Uit het zicht. Waar geen mensen komen. Terwijl de afdelingen gemanaged worden door robots die ons een prettige dag toewensen. Bij het uitchecken van mijn boeken stel ik vast dat er nog steeds drie medewerkers mensen te woord staan en verder helpen.

Ik hoop dat ze niet snel verdwijnen. De bibliothecaressen. Die dames die over hun kleine bril de zaal in turen en met een streng “Ssssssst” de hele ruimte muisstil krijgen. Die bescheiden freules die, als men er naar vraagt, een literaire encyclopedie blijken te zijn, die bij elke auteur of elke titel wel een referentie tevoorschijn toveren uit de dot achter op hun hoofd, die nonchalant door een potlood wordt samengehouden. Die vurig gepassioneerde dames, die verscholen achter een ‘schooljuf-uiterlijk’ elke vers uit de dagboeken van Anaïs Nin kunnen reciteren.

Laat dit dan een lofzang zijn voor hen en laten we hen uitnodigen om in de leeshoek, met een verboden glas rode wijn, samen te verdrinken in een eerste druk van Flaubert of Rimbaud. Want hoe mooi, strak wit en netjes de bib er ook bij ligt… er gaat niets boven de stoffige geur van een opengeslagen boek waarin lang vervlogen woorden ons waarschuwen voor de vergankelijkheid van het banale.

“Alleen wie alle verhalen kent, kent de wereld.” (H. Mulish – De ontdekking van de hemel)

 

Auteur en foto’s: Alain Van Den Broecke